De minuten tikken voorbij, de zon is opgegaan en weer weggezakt. Wachten. Het maakt niet uit wat je doet of waar je bent, iedereen wacht wel eens. Of je nu wacht tot de bloemen bloeien, tot de bus er is of toch je partner nou eens eindelijk klaar is om te vertrekken.

Uit een onderzoek in 1993 (volgens het internet tenminste) wacht een persoon gemiddeld een half uur per dag.

Oprecht vraag ik mij af of hierbij rekening is gehouden met de persoonlijke wachttijd, zoals de standaard grap dat een man altijd moet wachten op een vrouw wegens haar make-up. Of dat de wacht-op-wacht tijd meegerekend is.

Wat is wacht-op-wacht tijd?

Als mijn vriend en ik moeten vertrekken, sta ik vaak op tijd klaar om dan vervolgens te wachten tot hij zijn schoenen aan heeft gedaan en weet ik veel wat nog meer. Dit duurt vaak zo lang, dat ik besluit nog even iets nuttigs te doen. De vaat bijvoorbeeld. Wat dan weer langer duurt waardoor mijn vriend weer aan het wachten is op mij. Dit is voor mij een bekend tafereel, mijn vader en moeder zaten in de zelfde cycli. 

In de tijd dat je wacht op andere dingen, de bus, trein en dergelijke, sta je vaak stil. Op het internet zie ik wel sport oefeningen die je kan doen tijdens het wachten, maar de druk om normaal te doen in plaats van je tenen aan te raken op het perron weegt zwaarder dan de neiging om even gezond te gaan bewegen.

Dus dat half uur wachten, waarin je prima even zou kunnen sporten, gaat voorbij en verloren. Een race tegen de toekomst zonder dat je afvalt, of zelfs aankomt door te snacken tijdens het wachten.

Of ooit het wachten iets nuttigs op gaat brengen is denk ik onmogelijk.

Maar daar kan je ook op wachten, tot je een ons weegt.

Door Nadine van Schagen